Oatley Park & Lime Kiln Bay
- Najika Akane

- 27 apr 2025
- 9 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 29 apr 2025
Proloog: Degene die Bezoeken
Ik kwam niet voor iets in het bijzonder. Een Boeboek, misschien. Of vliegenvanger. Maar in werkelijkheid kwam ik omdat hier iets gebeurde—iets dat bewoog, verschoof, en vroeg om gezien te worden zonder gestoord te worden.
De vogels migreren. Gelijk de getijden. De bloemen komen op, en verdwijnen. Mensen lopen deze paden, en laten geen spoor achter. Ik bracht ook een bezoek, niet om te blijven, maar om te leren—hoe stil te zijn, zonder stilte te verwachten, hoe te observeren zonder doel te eisen.
Gedurende tijd begon de natuur te spreken—niet in feiten, maar met ritmes. Wat me opviel was de manier, waarop 's middags het licht door de eucalyptus filterde, hoe het riet in de wind buigt maar nooit breekt, hoe het geluid van vleugels over me heen me stopte zonder dat ik erbij nadacht.
Er was niks dat op mij wachtte. Niets bleef omdat ik er was. En op een of andere manier maakte dat, dat alles levendiger aanvoelde.
Alles hier is in beweging. En ik ook.

I - Een Uitnodiging
Een studie in ethisch vogelen
Ik werd uitgenodigd naar Oatley door een lokale vogelaar—iemand die niet alleen de paden kent, maar daarover beweegt als adem door riet. Elke bocht werd genomen niet met aarzeling, maar met een ritme dat voortkwam uit herhaling, uit liefde, uit terugkeer. Ze noemde bomen met vertrouwdheid, begroette vogels met de tedere autoriteit van iemand die ze heeft zien ruien, nesten bouwen, verdwijnen, terugkeren. Er was geen zoeken, alleen herkenning.
Om naast iemand als zij te lopen was herinnerd worden aan wat het betekent om ergens bij te horen—niet in naam, maar in het diepste van je wezen. Ze kende het bos als een voorraadkastje met kleine wonderen, elke lade een leefgebied, elke plank een struikgewas. De termietenheuvel verscholen achter de bocht waar ijsvogels in de lente hun holen graven. Het pad waar, in april, de grijs-roze vliegenvangers stilletjes doorheen glijden, op weg naar het noorden voor de winter. Haar wereld was geannoteerd met herinneringen. De mijne was nog blanco.
En ik benijdde het—niet de kennis, hoewel dat ook—maar de intimiteit. De geworteldheid. Het idee dat een landschap ook jou zou kennen.
Zo heb ik nooit geleefd. Ik ben nooit lang genoeg gebleven. Mijn leven is een reeks van aankomst en vertrek, van velddagboekjes half-bekrabbeld en vogels die ik maar één keer heb gezien. Ik heb in te veel tongen gesproken om tot één ervan te behoren—balancerend tussen zoveel melodieën dat mijn eigen stem altijd geleend heeft gevoeld, nooit inheems. Ik ben al zo lang op doorreis, dat ik vergeten ben wat het betekent om te blijven. Om te je wortelen. Om een noot terug te neuriën naar het bos en te geloven dat het je naam kent.
En toch, er was iets in die wandeling—onder de lage takken, door de zoute lucht van de mangroven—dat me niet alleen deed verlangen naar bekijken, maar naar blijven. Om een stukje grond te vinden en het te leren kennen zoals je iemand leert te kennen van wie je houdt: langzaam, eerbiedig, zonder de behoefte om je te haasten.
Voor even bezocht ik niet zomaar een park—ik bezocht een mogelijkheid.

Het is een geschenk om te vogelen met iemand zoals zij, iemand die je niet gewoon vogels laat zien, maar omgeving.
Niet alleen vleugels—maar hoe het licht door de mangroven beweegt.
En wat voor mangroven.
II - De Mangrove Sfeer
Sjokken door de regen die het bassin overstroomt
Het getij is hoog en trekt stilletjes weg. Dan weer laag, het onthult glibberige oevers en een wereld van zachtvoetige bewegingen. Ibissen die doelbewust door de modder stappen. In de stilte van de mangroven stonden drie koningslepelaars klaar, als sculpturen van licht, hun verenkleed vangt de zonnestralen gefilterd door het overhangende bladerdak. Ze bewogen met een soort eerbiedige traagheid, met hun brede, spatelvormige snavels van links naar rechts in het ondiepe water—elke beweging een daad van intentie, een ritueel.

Net achter hen aan, bijna verlegen, een kleine zilverreiger hield gelijke tred—zijn slanke vorm schiet af en toe in en uit de kielzog van de lepelaars, zijn ogen scherp voor verroeringen die binnen bereik zouden komen. Er waren geen kwade bedoelingen, alleen strategie. Laat de reuzen in het water roeren; de reiger zou de kruimels verzamelen.
In de buurt stond een witwangreiger afgezonderd, roerloos, zijn nek gebogen in een waakzame halve lus. Het had de menigte niet nodig. Het keek. Het wachtte. Het wist dat er iets zou bewegen.
En toen het gebeurde—een onzichtbare flikkering onder het wateroppervlak—sloeg het toe, snel en foutloos. Daarna weer stilte, alsof de aanval nooit had plaatsgevonden. Een vogel gebouwd, niet voor vertoon, maar voor zekerheid.
“De echte ontdekkingsreis bestaat niet uit het zoeken naar nieuwe landschappen, maar uit het hebben van een nieuw perspectief.” - Marcel Proust
III – De Bosdraadjes

In het dichtere struikgewas veranderde alles. Dichter. Stiller, dan plotseling vol. Een groep—nee, een zwerm—geelmaskerhoningeters, zestig of meer, die de lucht elektrificeren. Waaierstaarten flitsten tussen de boomstammen als kleine tandwielen in een onzichtbare machine, en ergens boven me klonk de plotselinge echo van een gouden fluiter—daarna twee. Beide mannelijk, beide onvoorstelbaar fel, wevend tussen de bomen als spoelen van levend draad. Eén vloog zo dichtbij dat ik de bries van zijn vlucht voelde.
Maar ik was hier voor iets anders.
De grijs-roze vliegenvangers waren recent waargenomen—klein, schuw, en in dat korte schemerige licht van de late ochtend, hartverscheurend mooi. Het mannetje met zijn roze borst, als een bloemblaadje gevouwen midden in de winter. Het vrouwtje, subtieler, mistiger, alsof het in de schemering was geborsteld.
Ze waren daar.

Zachtjes bewegend door het loof, fladderend in en uit bereik. Ik stond stil en keek totdat ik vergat dat ik keek. De grijze waaierstaartjes dansten om hen heen als vonkjes.
We zagen het mannetje als eerste, onmogelijk klein, onmogelijk roze—als een losgeraakt bloemblaadje dat vleugels had gekregen. Het fladderde door het schaduwrijke loof in plotselinge, felle schoten, altijd een paar slagen sneller dan onze ogen.

Hij pauzeerde even—net lang genoeg om ons direct aan te kijken, zijn keel stijgend en dalend met de adem van moeite of instinct. Een flits van rosé tegen het donker.
Het vrouwtje was stiller, grijzer, maar niet minder mooi. Ze bewoog met het gemak van iemand die weet dat ze niet hoeft te bewijzen dat ze het waard is om bekeken te worden.
Observatieverslag - Veldnotities:
Soort: Grijs-roze vliegenvanger (Petroica rosea)
Datum: 18 april 2025
Tijd: 14:28
Locatie: Oatley Park, NSW
Coördinaten: -33.9778, 151.0608
Leefgebied: Dichte vallei-bos, bezaaid met sheoaks en kustbanksia’s; middenlaag goed beschaduwd
Gedrag: Vliegt van lage zitplaatsen; vaak terugkerend naar dezelfde tak, hangende vleugels
Weersomstandigheden: Bewolkt, 15.8°C - 22.5°C
Waarnemer: Najika
Wat me het meeste opviel aan de grijs-roze vliegenvanger, naast de blos van hun kleur, was de manier waarop ze leken te leven tussen hartslagen. Het mannetje, levendig als een vallend bloemblaadje; het vrouwtje, schemeriger, meer terughoudend. Maar beiden droegen diezelfde stilte van spanning—hun vleugels niet strak gevouwen, maar lichtjes hangend, alsof ze altijd over een draad liepen die strak gespannen was tussen twee bomen. Een balanceer-act zo subtiel dat je het zou missen als je niet stil van binnen was.
Ze gingen laag zitten en gaven de voorkeur aan dunnere takken, waar de bries luider sprak en de marge voor fouten kleiner was. En daar bleven ze—zwevend, niet in de lucht, maar in intentie. In de pauze voor beweging. In de inademing voor gezang. Het was een houding die minder als stilstand voelde en meer als luisteren met het hele lichaam.
Het was geen kwetsbaarheid. Het was precisie. Een manier van zijn in de wereld die alles licht maar doelbewust vasthield. Een manier van bewegen door de wereld die elk moment voorzichtig en precies deed voelen.
Ik droeg al een tijdje een kleine hoop voor grijs-roze vliegenvangers. Geen checklist-hoop, geen telling van een twitcher—iets zachters. Meer als een draad die ik al jaren aan het volgen was. Ik heb foto’s gezien van de zwart-roze vliegenvanger, zijn onmogelijke blos van kleur als een vlam in de mist—maar ze zijn geheimzinnig, meestal Tasmaans, en trekken zelden, kort, naar het noorden, de hooglanden in. Sydney houdt ze nauwelijks.

Maar grijs-roze vliegenvangers—dichter verwant, maar nog steeds moeilijk te vinden—voelden als de geest van die wens, die iets meer werkelijkheid werd. Ze arriveren in de winter, glijdend stilletjes dichtere geulen en beschaduwde bossen in. Ik heb vele bossen afgezocht voor die flits van schimmige bloos, altijd net te laat. Een vogel die niet zeldzaam is in aantallen, maar zeldzaam in timing. Zeldzaam in toestemming.
Om ze eindelijk te zien—twee, niet minder, de één fel en de ander nauwelijks bloeiend—voelde als een wens die niet werd ingewilligd,, maar zachtjes werd beantwoord. Niet in het leven geroepen, maar teruggefluisterd. Alsof het bos het gewicht dat ik droeg had opgemerkt, en besloot, voor deze keer, het naast me neer te zetten in veren.
IV - De Ontmoeting, Onderbroken
De Olijfrugwielewaal
De olijfrugwielewaal is een vogel die vooral bestaat uit afstand: moeilijk te vinden, zelden gezien, meer stem dan vorm. Ik had er een jaar lang geen ontmoet, en hier waren er twee. Een tijdlang hielden ze hun hoogte, glijdend tussen de takken als gedachten die nog niet volledig gevormd zijn. Maar iets trok er één lager—nieuwsgierig, doelbewust, alsof het door lagen van slaap afdaalt naar iets wakkers en scherps.

Beneden was het mannetje grijs-roze vliegenvanger nog steeds licht aan het traceren in de ondergroei, een fragment van de lente vergist in de winter. Zijn aanwezigheid voelde heilig—kwetsbaar op de manier dat alleen schoonheid kan zijn wanneer het vergeet zichzelf te beschermen.
De wielewaal snijdt door het moment als een komeet—snel, stil, zeker.
Niet echt een aanval. Meer een gebaar. Een waarschuwing verkleed in vlucht. Zijn lichaam zakte, kantelde, de lucht spande zich—en de vliegenvanger vluchtte weg, zijn roze vlam gedoofd in het loof.
En zo vlug brak de magie.
De wielewaal klom terug omhoog in de groene stilte erboven, zijn rode oog ving het beetje licht dat nog over was, uitdrukkingsloos als een munt. Beneden bleef de afwezigheid van de vliegenvanger hangen als een blauwe plek op de pagina.
Wat eerst wonder was, werd regel. Territorium. Ernst.
Dit is wat de natuur doet wanneer ze duidelijk spreekt.
Het herinnert je eraan: het bos is niet van jou. Ontzag heeft tanden.
Ik bleef hangen.

Niet voor meer waarnemingen, niet voor de lijst, maar omdat het licht was veranderd, en ik ook. Er waren nog andere vogels. De Fuut op de vijver, zelfvoorzienend en sereen. Zwarte waterhoenen die de randen afzoeken. Een kort gekwebbel van regenbooglori's boven ons hoofd.
V – De Stilte die Volgt
Wat roert binnen de uithollingen
Maar de dag was begonnen zich in te vouwen. De paden werden stiller. Schaduwen verzachten de ondergroei.
En dieper binnenin, onder het stille gefluister van overwoekerde casuarina’s, gaf het bos nog één laatste geschenk.
Voorbij de oevers en onder de stillere bomen—daar was de Boeboek.
Ik zal de exacte plek niet beschrijven. Sommige vogels verdienen het om onbenoemd te blijven. Niet omdat ze geheimen zijn—maar omdat ze heilig zijn. Het zat stil. in zichzelf gekropen. Niet verborgen, maar gehuld door de stille autoriteit van iets dat er gewoon hoort.
Het keek naar me. Ik keek terug.
Dat was genoeg.
Sommige vogels vier je door ze te delen. Andere eer je door ze precies te laten waar ze zijn.

Epiloog: Het Vertrek Was Stil
Tegen de tijd dat ik aanstalte maakte om te gaan, waren de vliegenvangers weg. Of misschien waren ze gewoon stil geworden.
Het zoutmoeras vroeg me niet om te blijven. De bomen boden geen afsluiting. Niets zwaaide me uit—niet eens de wind.
En toch, er bleef iets hangen. Niet de vogels zelf, maar de vorm die hun aanwezigheid achterliet. De stilte tussen vleugelslagen. De glinstering van het net gemiste moment, of misschien het precies op het juiste moment aangekomen zijn.
Ze waren op doorreis. Ik was dat ook. Maar we waren hier, samen, lang genoeg voor dat om iets te betekenen.
En toen ik van het pad afstapte, voelde het minder als vertrekken en meer als voorzichtig losgelaten worden.
Vogels Gezien in Oatley – 18 april 2025, 23 april 2025 & 25 april 2025
Een niet-volledige lijst van metgezellen, gezien en herinnerd:
• Grijs-roze vliegenvanger (Petroica rosea) — 2 mannetjes, 3 vrouwtjes
• Gouden Fluiter (Pachycephala pectoralis) — 2 mannetjes, lied wevend in zonlicht
• Geelmaskerhoningeter (Caligavis chrysops) — ~60, in rusteloze, elektrische zwermen
• Bruine doornsnavel (Acanthiza pusilla) — ~25, druk in de ondergroei
• Grijze waaierstaart (Rhipidura albiscapa) — talrijk, onvermoeibaar, overal
• Grijsrugbrilvogel (Zosterops lateralis) — ~5-7, fladderend in scherpe groepjes
• Ornaatelfje (Malurus cyaneus) — verspreid, blauwe vonken
• Olijfrugwielewaal (Oriolus sagittatus) — 2, assertief en felgekleurde keel
• Australische koningsparkiet (Alisterus scapularis) — 2, gedurfd en stralend
• Pennantrosella (Platycercus elegans) — ~3-5, flitsen van vuurrood
• Koningslepelaar (Platalea regia) — 3, vegend van ondiepe mangrovebossen
• Kleine Zilverreiger (Egretta garzetta) — 1, strategisch in stilte
• Witwangreiger (Egretta novaehollandiae) — 1, geposeerd en precies
• Australische dodaars (Tachybaptus novaehollandiae) — afgezonderd, drijvend in het midden van de vijver
• Australische boeboekuil (Ninox boobook) — 1, heilig, stil
Uiteindelijk nam ik niet veel mee naar huis. Alleen de herinnering daar geweest te zijn, en de belofte om terug te keren met voorzichtigere stappen.
“Aandacht schenken, dit is ons eindeloze en eigenlijke werk.” - Mary Oliver


